
Malcolm Gladwell.
Lang heb ik zijn boeken genegeerd. Ik las Malcolm Gladwells stukken in de New Yorker af en toe (maar ook niet meer dan dat), en zijn boeken – en met name Outliers – leek me zo’n hap-snap-weg-boek, zo’n typisch Amerikaans ideeënboekje, dat ik maar best kon vermijden. Maar in mei geraakte ik zodanig onder de indruk van zijn stuk ‘Creation Myth. Xerox PARC, Apple, and the truth about innovation’ (New Yorker van 16 mei), dat ik mijn wijsneuzige mening geleidelijk begon te herzien. Het stuk is een spannende reconstructie van de uitvinding van de personal computer, de ontwikkeling van de muis en de ontstaansgeschiedenis van de laserprinter. (Nee, dat klinkt niet spannend. Als Gladwell het vertelt, is het wel spannend.) Het artikel is vooral een verdediging van spilzieke creativiteit. Hij citeert onder meer de psycholoog Dean Simonton: ‘ Quality is a probabilistic function of quantity (…) The more successes there are, the more failures there are as well’. (Niet ongelijk aan de menselijke voortplanting, nu ik er zo over nadenk, maar soit.)
En zo heb ik alsnog Outliers gelezen, een boek dat, zoals de ondertitel het zo bondig zegt, op zoek gaat naar de factoren die iets tot een succes maken. In zekere zin bleek mijn aanvankelijke wijsneuzigheid ook niet helemaal verkeerd: Outliers is ook echt een ideeënboekje, een kapstok van gezond verstand waaraan een paar anecdotes, een selectie van makkelijk na te vertellen wetenschappelijk onderzoek en een paar raadseltjes worden opgehangen. ‘The story of succes is far more suprising than we could ever have imagined’, meldt de blurb, maar dat vind ik nu net niet. De centrale these is dat succes meer is dan talent en hard werken, maar dat de omstandigheden en een flinke scheut gelukkig toeval ook essentieel zijn.
Sure.
Het is me al vaker opgevallen bij lichte non-fictie die het tot in de bestsellerlijsten schopt: de rode draad is doorgaans zo algemeen en zo evident dat je je niet kan voorstellen dat iemand het boek zou lezen om dat half-cliché bewezen te zien. Zelfs als je Amerikaan bent, moet je toch al behoorlijk blind zijn om te geloven dat succesvolle hockeyspelers, academici, computerwizards en advocaten (dat zijn maar een paar voorbeelden die Gladwell gebruikt) louter op talent en hard werken de wereldtop hebben bereikt.
(Ja, de mensen die dat denken bestaan echt, ik weet het. Zie de opmerking over menselijke voortplanting.)
Maar bij Outliers doe je het net omwille van andere attracties: excellent, up tempo writing - dat vooral - maar ook de attractieve verhaaltjes die onderweg worden opgedist. Kleine vignetjes, quick wins, die je het gevoel geven dat je snel iets hebt bijgeleerd hebt. Brain candy, Jongens&Wetenschap-kennis, maar ingekaderd in één groter raamwerk. En geworteld in engagement, maar daarover later meer. 
Een ietwat uitgebreider voorbeeld van het soort verhaaltjes dat hij vertelt begint met een tabel van de beste hockeyspelers van de Canadian Hockey League. Blijkt dat iedereen in de absolute hockeytop (Gladwell groeide op in Canada) in de eerste maanden van het jaar verjaart. Dat lijkt zwarte magie, tot Gladwell uitlegt dat voor het eerste jaar hockey alleen kinderen worden toegelaten die minstens 10 jaar zijn geworden. Spelers die op 31 december verjaren komen dan in dezelfde beginnersgroep terecht als spelers die op 2 januari verjaren, terwijl de tweede eigenlijk een jaar ouder is dan de eerste, al zijn ze, afgerond, allebei ‘tien jaar’. De tweede speler is doorgaans sterker, motorisch meer ontwikkeld. Hij zal getalenteerder lijken (maar eigenlijk is hij gewoon ouder) en hij zal meer kansen en stimuli krijgen. Op een gegeven moment haakt de eerste af, terwijl de tweede meestrijdt om een plaats aan de top. Moraal van Gladwell: door dat arbitraire criterium (10 zijn op 1 januari) mist de hockeyleague een schat aan talent.
Bill Gates, een ander voorbeeld, is uiteraard briljant en een keiharde werker, maar ook de zoon van een rijke advocaat. Zijn moeder was de dochter van een rijke bankier. En: hij ging naar Lake Side, een eliteschool in Seattle, waar ‘The Mothers’ Club’ ervoor zorgde dat er (in 1968) een (één) voor die tijd geavanceerde computer op school werd aangekocht. Genieën en natuurtalenten moeten hard werken én hebben de juiste voedingsbodem nodig.
Zo rijgt Gladwell de anecdotes, raadseltjes en snelle biografietjes aan elkaar. Wat dat laatste betreft: lees vooral het stuk over Christopher Langan – IQ van 195, tv-quiz-ster en college drop-out. En vergelijk het met het verhaal over Robert Oppenheimer, wereldvermaard genie, ‘vader’ van de atoombom. En iemand die de gave had om iedereen naar de wereld te doen kijken zoals hij, ook al had hij ooit geprobeerd zijn docent fysica te vergiftigen.

Robert Oppenheimer op de cover van Time (14 juni 1954)
Het slothoofdstuk ‘A Jamaican story’ is autobiografisch en te lang – een from rags to riches-verhaal over zijn eigen familie, dat nog eens drukt op het belang van hard werken en veel oefenen (’10.000 uren oefenen’ is volgens Gladwell een voorwaarde om in gelijk welk vak het meesterschap te bereiken.) Maar hier laat hij wel het diepste in zijn ziel kijken – en die is rood. Door de Amerikaanse mythe van de formule ’genie + hard werk = succes’ te deconstrueren en expliciet te wijzen op de omstandigheden waarin succesverhalen tot stand komen, komt het belang van beleid heel scherp in het vizier. Hij noemt het nog net geen ‘gelijkekansenbeleid’ (dat woord was wellicht te lelijk voor hem, en wie kan hem dat kwalijk nemen), maar daar komt het vaak op neer.
Fundamenteel is Outliers een politiek pamflet — alleen heb je dat amper in de smiezen. De boodschap is: succesvol word je nooit louter op eigen kracht; die kracht is enkel een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde: ”It is impossible for a hockey player, (…) or Robert Oppenheimer, or any other outlier for that matter, to look down from their lofty perch and say with truthfulness, “I did this, all by myself”‘. Het succes van die ‘outliers’ – mensen die buitengewoon succes kennen - ’is grounded in a web of advantages and inheritances, some deserved, some not, some earned, some just plain lucky – but all critical to making them who they are. The outlier, in the end, is not an outlier at all.’ (Bruno Tobback: hier valt inspiratie te halen.) Het is precies dat engagement – en de altijd stimulerende verhalen over hoe zinvol hard werken wel niet is, ook al mag je daarbij niet te lang over ‘zin’ nadenken – dat dit boek coherent en sterk maakt.
Om af te sluiten nog een raadseltje uit het boek. ‘At Microsoft, famously, job applicants are asked a battery of questions designed to test their smarts, including the classic “Why are manhole covers round?” If you know the answer to that question, you’re smart enough to work at Microsoft’. Het antwoord staat in een voetnoot op pagina 76.