Flogging a dead horse

En wij Vlamingen maar roepen om rechtse intellectuelen. Het nummer ‘A nation ablaze’ van het Britse ‘right of center’-weekblad The Spectator (13 augustus) staat er vol van: Toby Young, associate editor van het blad, beschrijft hoe hij in zijn buurt fluks een burgerwacht organiseert en ook de bij ons bekende Theodore Dalrymple heeft er een column, maar die adultes terribles zijn niets vergeleken bij Peregrine Worsthorne. Dat is zo’n pittoreske naam dat het wel een pseudoniem moet zijn. Maar dan blijkt het een Sir te betreffen - en meer bepaald een voormalig hoofdredacteur van The Sunday Telegraph. Hij blijkt ook de tweede Brit ooit te zijn die het woord ‘fuck’ gebruikte op de BBC, in maart 1973.

Sir Peregrine Worsthorne

Worsthorne laat er ook op papier geen gras over groeien. In de eerste twee zinnen van zijn analyse van de Londense rellen overbrugt hij moeiteloos een slordige tachtig jaar: ‘Watching the breakdown of law and order on Monday night was an appalling experience. It was a reminder of Berlin in the worst days of the Weimar Republic, before Hitler’s grossly excessive smack of firm government’. Hitler maakte zich schuldig aan Big Government, begrijp ik. Ik vermoed dat er bepaalde kringen zijn waarin je op die manier over de holocaust kunt spreken, maar vrienden zal ik er niet zoeken.

Twee alinea’s verder waagt hij zich plots – het is een ‘dagboek’ - aan literaire analyse naar aanleiding van zijn lectuur van Philip Henshers laatste roman King of the Badgers. Het boek ‘includes such unseemly anatomical accounts of group homosexual orgies between strangers that anyone might be justified in supposing that the author must be a homophobe, determined to poison public opinion’. Worsthornes punt, dat voelde u al komen, is dat Hensher zelf homo is.  En Henshers homoporno (hij citeert één sprekende passage) is niet aan onze columnist besteed. Dat is zijn goed recht. Maar zijn commentaar is, zoals het een Sir betaamt, verzadigd van hooggestemde idealen: ‘at a time when we are trying to accept homosexuality  as ordinary and even cosy, such efforts to stuff filth up our noses are in danger of awaking prejudices that we hoped had been put to sleep forever’. Help deze man, hij vreest voor het ontwaken van zijn eigen vooroordelen.

The Spectator is een belevenis. Zo stuitend zijn de stukken dat je al snel afvraagt of je met een satirisch boekje in je handen zit. Hoe meer je leest, hoe meer je weet dat het allemaal welgemeend is opgeschreven. Worsthorne eindigt nog flinker dan hij begonnen was: ‘Reopening the debate about hanging is pointless. There is no going back. But flogging could and should be restored as a deterrent for young thugs who regard a stay inside prison as a welcome relief from the terrors and the rigours of gangland discipline outside.’

Geert Wilders is een watje.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

It’s a rich man’s world

So nice I bought it twice. Op de front van het dubbelnummer van New York (8 en 15 augustus) staan de ‘Cain & Abel’ van de Amerikaanse politiek lelijk grijnzend tegenover elkaar. Het blijken twee rijke Mormoonse ex-gouverneurs te zijn: Mitt Romney en John Huntsman. Als het blad ook maar in de buurt van een juiste voorspelling komt, dan heeft de toekomst van de republikeinen een plastic smile en hagelwitte tandjes.

Maar ik kocht het nummer voor een ander artikel: ‘How Murdoch hacked the USA’ van voormalig NYT-columnist Frank Rich is het strafste stuk dat ik totnogtoe over de affaire-News Corp gelezen heb. Rich stapte op 4 juli naar het in deze contreien nog relatief onbekende, maar verrassend sterke New York, nadat hij jarenlang indringende stukken publiceerde op de opiniepagina’s van het magazine van de Times (en hier bij ons The Herald Tribune). Op adweek gaf hij begin deze maand tekst en uitleg: ‘There was no way I could expand further as a writer at the Times. I didn’t want to be an editor or be in management.’ En vooral: hij krijgt op zijn nieuwe stek ongeveer drie keer zoveel plaats (van 1.500 naar 4.500 woorden). Geen opiniemaker die aan die attractie kan weerstaan.

Frank Rich

Dat Rich ooit bij de New York Post is weggegaan kort nadat Murdoch de krant onder handen nam, is een van de redenen waarom dit stuk ruime aandacht waard is. De New York Post was de afgelopen weken ook bij ons vooraan in het nieuws, omdat de krant zowat alle scoops in de affaire-DSK binnenhaalde. En er ook een paar keer naast schoot.  Zo schreef de krant dat Nafissatou Diallo, het belaagde kamermeisje van het Sofitel-hotel, regelmatig als prostituée werkte. Het verhaal was gebaseerd op één bron, waarvan de geloofwaardigheid vrij snel na publicatie van het verhaal ondermijnd werd. Rich omschrijft de New York Post in het pre-Murdoch-tijdperk met kenmerkende flair: ‘a staunchly liberal tabloid chasing after a hypothetical middlebrow afternoon readership too highfalutin for the Daily News and yet insufficiently titillated by the sober New York Times’. Maar toen meneer Rupert de boel overkocht zou dat snel veranderen, met name door ‘the new proprietor’s Fleet Street-style sensationalism, blatant conservative politics and machete editing of our precious prose’. Dat is de rooskleurige versie van het verhaal.

De mythe-Murdoch is romantisch, benadrukt Rich: ‘a brilliant newspaper maven who’ll go so far as to roll up his shirtsleeves to help his mates at deadline’. Een liefdadige ondernemer, eigenlijk: ‘In an era when even his own bean counters tell him newspapers are a dying business, he has valiantly overpaid for dinosaur print properties and saved the jobs of multitudes of ink-stained wretches who would otherwise be thrown out of work’. Maar, zegt Rich, zo is het toch niet helemaal. In 1977, bijvoorbeeld, maakten 50 van de 60 reporters van de Post de nieuwe eigenaar razend toen ze publiek protesteerden tegen de gekleurde verslaggeving van de New Yorkse burgemeesterverkiezingen: opiniestukken werden als nieuws gepubliceerd; ernaast verschenen grote, hijgerige stukken over de kandidaten die Murdochs voorkeur wegdroegen. Toen een zetbaas van de News Corp-tycoon er bij Rich op aandrong om bij zijn filmrecensies ’the views of our advertisers’ in rekening te nemen, was de maat vol en stapte hij op.

Vandaag is het allemaal nog erger geworden: ‘The bigger story is this: An otherwise archetypal media colossus, with apolitical TV shows (American Idol), movies (Avatar), and cable channels (FX) like any other, is controlled by a family (and its tight coterie of made men and women, exemplified by the recently departed Rebekah Brooks) that countenances the intimidation of politicians, regulators, competitors, journalists, and ordinary citizens to maximize its profits and power and to punish perceived corporate, political, and personal enemies’. Rich weet best dat hij geen belangrijk target is voor Murdoch: hij was dat vroeger niet, en hij is dat vandaag nog niet (‘merely a footnote’). Maar toen hij in zijn Times-columns regelmatig kritiek begon te leveren op een aantal Murdoch-outlets, schreef de Post dat Rich zijn vrouw had verlaten voor een regisseur op Broadway. Toen hij tot de ‘less-than-novel’ conclusie kwam dat The passion of the Christ eerder antisemitisch was, werd Rich op zes verschillende momenten aangevallen in de Fox-nieuwsshow The O’Reilly Factor, niet zelden met zijn foto in beeld. Zelden kreeg Rich zoveel antisemitische hatemail in zijn bus. De enige andere keer in zijn loopbaan dat hij veiligheidsadvies inwon was na een kritisch stuk over Scientology.

Regisseur Mel Gibson op de set van 'The passion of the Christ'

Bij het stuk staat een indrukwekkende lijst van politici die ooit geld hebben gekregen van News Corp: van George Tenet, voormalig directeur van de CIA, die ooit voorschotten kreeg voor zijn book bij HarperCollins (een News Corp-uitgeverij), tot Rudy Giuliani, voormalig burgemeester van New York, die betaald werd als lobbyist. Andere namen zijn onder meer Mick Huckabee, Sarah Palin en Karl Rove. En Newt Gingrich. In 1995 stelde de Federal Communications Commission vragen bij de toekenning van tv-licenties aan Fox News. News Corp had tien jaar eerder zijn zetel in Australië, en kocht toen  voor Fox een heleboel Amerikaanse lokale tv-stations, ook al bepaalde de wet dat buitenlandse bedrijven niet meer dan 25 procent in handen mochten krijgen. De kwestie was bepaald netelig voor Murdoch, maar het probleem verdween opvallend snel toen HarperCollins een royaal voorschot betaalde aan Newt Gingrich, de toenmalige ‘speaker’ in het huis van afgevaardigden: 4,5 miljoen dollar. Dat veroorzaakte wél enige opschudding, en Gingrich zag zich verplicht een en ander terug te storten.

Rich citeert de voormalige speechschrijver van George Bush: ‘Republicans originally thought that Fox worked for us, and now we’re discovering we work for Fox’. Hij weet best dat er tussen politici en media wel vaker deals gesloten worden, ‘but News Corp has set a new standard in scale for the mass-media era’. Het is wachten, zo schrijft hij, tot journalisten zich op het Amerikaanse luik storten. Totnogtoe heeft alleen de New York Times een beetje zitten roeren in Murdochs malversaties op Amerikaanse bodem. De journalisten werden meteen van oneerlijke motieven verdacht: ze zouden de verhalen alleen bovenspitten om hun concurrent, The Wall Street Journal (ook van News Corp), te koeioneren – ook al kwam de WSJ niet in het vizier.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Suboptimaal

Sinds Fareed Zakaria naar Time is overgestapt (in de zomer van vorig jaar), lijkt het weer wat beter te gaan met het blad, dat de jongste jaren zijn reputatie zag veranderen van ‘saai maar degelijk’ naar ‘saai en irrelevant’. Scoren doen ze deze week met de kop van het jongste nummer: ‘The Great American Downgrade’. Het nummer verscheen nog voor Standard &Poor’s afgelopen vrijdag de rating van de VS van triple A verlaagde tot AA+. De slag om de arm in het artikel (‘Even if the besmirched ratings agencies don’t downgrade the U.S., Americans have downgraded themselves’) was geeneens nodig; de cover staat als een huis.

Het stuk, van de hand van Zakaria zelf, begint kenschetsend rustig en genuanceerd, althans wat de economische ampleur van de vermoeiende debt ceiling-discussie betreft: ‘In narrow economic terms, the debt deal is actually not a big deal, neither as good as its advocates claim nor as terrifying as its opponents fear. The actual cut to the 2012 budget, the only budget over which this Congress has control, is $21 billion out of total expenditures of $3.7 trillion – a pittance.’

De echte crisis, schrijft Zakaria, is een politieke. Hij roept op tot een nationaal debat over ‘the role of government’ en claimt, net zoals zowat iedereen van The Economist tot Paul Krugman, dat er zowel nieuwe Amerikaanse belastingen als bezuinigingen zullen nodig zijn. Hij zet zelfs een vraagteken bij de Amerikaanse afkeer voor nieuwe belastingen, tenminste als de burgers beseffen wat er allemaal zal wegvallen als die er niet zouden komen: ’(…) Republicans might find to their dismay that when forced to choose, Americans will decide that they like their government programs after all. Polls show that the public would rather raise taxes than, for example, cut Medicare.’ Zakaria voegt eraan toe: ‘In fact, we would have to do both.’

Zijn we ondertussen, bijna ongemerkt, de getuige van een sluipmoord op de westerse politiek? Dat mag pompeus klinken, de angst bestaat, en lang niet alleen meer bij klein-links of extreem-rechts. Zakaria wijst naar de defecten van het Amerikaanse systeem, zoals Nederlandse of Belgische commentatoren bij hun politieke crisissen verwijzen naar hervormingen van het kiesstelsel of andere ingrepen in de parlementaire vertegenwoordiging. Het Britse systeem, bijvoorbeeld, lijkt hem efficïënter, omdat de partij van de premier daar tegelijk de uitvoerende en de wetgevende macht in handen heeft. (Belgen zouden bij die inschatting enige voetnoten kunnen plaatsen, maar daar gaat het nu niet om). Maar ook Zakaria lijkt te suggereren dat het probleem dieper ligt dan de democratische technologie: ‘In an age of budgetary limits, money needs to be spent wisely and only on projects that are effective. But in area after area – energy, immigration, infrastructure – government policy is suboptimal, a sad mixture of political payoffs and ideological positioning.’

Claude Leforts  opvatting van de ‘lege plaats van de macht’ (anders dan in een dictatuur blijft in een democratie de plaats van de macht feitelijk leeg, want geen enkele politicus of partij kan die op eigen kracht permanent bezetten) is niet de kwaadste. Maar het is zeer de vraag of die visie genoeg vuurkracht heeft om de vijanden van de parlementaire democratie de baas te kunnen.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Fitty Cent

Het geweldige nummer van New York (niet te verwarren met de New Yorker) van 1 augustus biedt niet alleen een sterk verhaal over The New York Times aan (‘The last great paper standing’), maar ook partyquotes van de onvolprezen Justin Timberlake (die plastieken glimlach in Bad teacher!). Op het feestje ter ere van de première van Friends with benefits, alweer een nieuwe romantische komedie, werd hem gevraagd of hij het vervelend vond om de scène te spelen waarin Patricia Clarkson (Dogville, Shutter island) hem naakt aantreft. Timberlake: ‘I would say, yeah’. ‘She said that was the highlight for her’, antwoordt zijn gesprekspartner. Timberlake: ‘And now it’s twice as awkward.’

Het blad publiceert geen lezersbrieven, maar neemt wel een paar quotes uit lezersreacties tesamen om er een stukje mee te brouwen. Hier een zure lezer, met een beeldrijke quote, uit een grotere discussie over popmuziek en de jeugd van tegenwoordig (het cliché, niet de groep): ‘This generation of narcissists is just going to get poorer and poorer as the country gets more and more bankrupt. I hope Lady Gaga enjoys licking the boots of her Chinese masters.’

In het stuk over The New York Times komen we te weten hoe vader Sulzberger een aanbevelingsbrief schreef voor de vrouw van zijn zoon (‘Young Arthur’, de huidige uitgever van de krant): ‘We think she is smarter than he is.’ Pas na aandringen van zijn secretaresse haalde Sulzberger senior de opmerking over zijn zoon uit de brief.

En dan nog deze, uit het ook al zeer lezenswaardige stuk over Lloyd Blankfein, ceo van Goldman Sachs, die ooit in gesprek raakte met rapper 50 Cent: ‘He’s an impressive kid. And by the way, it’s “Fitty” Cent. Fitty.’ Op Wall Street wordt Blankfein algemeen aangezien als een menselijke manager. Ten bewijze: als een werknemer een dag verlof wil nemen omdat zijn vader is gestorven, dan kan Blankfein daar vrede mee nemen. Chapeau!

Geef een reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Stilte na de storm

In Le Magazine Littéraire een dossier over ‘la solitude’ (met een aardig stukje over de ballingschap van Ovidius), maar ook een korte bespreking van een Franse editie van de laatste brieven van Nietzsche, die hij bleef schrijven tot hij gek werd. En ook dan bleef hij briefjes schrijven.

In zijn bloemrijk Frans schrijft recensent Maxime Rovere: ‘Il est bouleversant de suivre, pas à pas, l’enlisement puis la disparition d’un si grand penseur dans les sables de maladie, mais cela n’appelle aucun commentaire.’ Om dan af te sluiten met een precies citaat van Gershom Scholem, joods filosoof en ‘stichter’ van de academische studie van de kabbala, van wie ik nog nooit een letter gelezen had. Bij groot verdriet zakt de taal in mekaar, schrijft Scholem:  ’La lamentation est justement ce stade où tout langage subit sa mort de manière vraiment tragique, dans la mesure où désormais il n’exprime plus rien. (…) Il n’y a pas de réponse à la lamentation, c’est à dire qu’il n’y en a qu’une: le fait de se taire.’

Geef een reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Een IQ van 195: nog niet genoeg

Malcolm Gladwell.

Lang heb ik zijn boeken genegeerd. Ik las Malcolm Gladwells stukken in de New Yorker af en toe (maar ook niet meer dan dat), en zijn boeken – en met name Outliers – leek me zo’n hap-snap-weg-boek, zo’n typisch Amerikaans ideeënboekje, dat ik maar best kon vermijden. Maar in mei geraakte ik zodanig onder de indruk van zijn stuk ‘Creation Myth. Xerox PARC, Apple, and the truth about innovation’ (New Yorker van 16 mei), dat ik mijn wijsneuzige mening geleidelijk begon te herzien. Het stuk is een spannende reconstructie van de uitvinding van de personal computer, de ontwikkeling van de muis en de ontstaansgeschiedenis van de laserprinter. (Nee, dat klinkt niet spannend. Als Gladwell het vertelt, is het wel spannend.) Het artikel is vooral een verdediging van spilzieke creativiteit. Hij citeert onder meer de psycholoog Dean Simonton: ‘ Quality is a probabilistic function of quantity (…) The more successes there are, the more failures there are as well’. (Niet ongelijk aan de menselijke voortplanting, nu ik er zo over nadenk, maar soit.)

En zo heb ik alsnog Outliers gelezen, een boek dat, zoals de ondertitel het zo bondig zegt, op zoek gaat naar de factoren die iets tot een succes maken. In zekere zin bleek mijn aanvankelijke wijsneuzigheid ook niet helemaal verkeerd: Outliers is ook echt een ideeënboekje, een kapstok van gezond verstand waaraan een paar anecdotes, een selectie van makkelijk na te vertellen wetenschappelijk onderzoek en een paar raadseltjes worden opgehangen. ‘The story of succes is far more suprising than we could ever have imagined’, meldt de blurb, maar dat vind ik nu net niet. De centrale these is dat succes meer is dan talent en hard werken, maar dat de omstandigheden en een flinke scheut gelukkig toeval ook essentieel zijn.

Sure.

Het is me al vaker opgevallen bij lichte non-fictie die het tot in de bestsellerlijsten schopt: de rode draad is doorgaans zo algemeen en zo evident dat je je niet kan voorstellen dat iemand het boek zou lezen om dat half-cliché bewezen te zien. Zelfs als je Amerikaan bent, moet je toch al behoorlijk blind zijn om te geloven dat succesvolle hockeyspelers, academici, computerwizards en advocaten (dat zijn maar een paar voorbeelden die Gladwell gebruikt) louter op talent en hard werken de wereldtop hebben bereikt.

(Ja, de mensen die dat denken bestaan echt, ik weet het. Zie de opmerking over menselijke voortplanting.)

Maar bij Outliers doe je het net omwille van andere attracties: excellent, up tempo writing - dat vooral - maar ook de attractieve verhaaltjes die onderweg worden opgedist. Kleine vignetjes, quick wins, die je het gevoel geven dat je snel iets hebt bijgeleerd hebt. Brain candy, Jongens&Wetenschap-kennis, maar ingekaderd in één groter raamwerk. En geworteld in engagement, maar daarover later meer.

Een ietwat uitgebreider voorbeeld van het soort verhaaltjes dat hij vertelt begint met een tabel van de beste hockeyspelers van de Canadian Hockey League. Blijkt dat iedereen in de absolute hockeytop (Gladwell groeide op in Canada) in de eerste maanden van het jaar verjaart. Dat lijkt zwarte magie, tot Gladwell uitlegt dat voor het eerste jaar hockey alleen kinderen worden toegelaten die minstens 10 jaar zijn geworden. Spelers die op 31 december verjaren komen dan in dezelfde beginnersgroep terecht als spelers die op 2 januari verjaren, terwijl de tweede eigenlijk een jaar ouder is dan de eerste, al zijn ze, afgerond, allebei ‘tien jaar’. De tweede speler is doorgaans sterker, motorisch meer ontwikkeld. Hij zal getalenteerder lijken (maar eigenlijk is hij gewoon ouder) en hij zal meer kansen en stimuli krijgen. Op een gegeven moment haakt de eerste af, terwijl de tweede meestrijdt om een plaats aan de top. Moraal van Gladwell: door dat arbitraire criterium (10 zijn op 1 januari) mist de hockeyleague een schat aan talent.

Bill Gates, een ander voorbeeld, is uiteraard briljant en een keiharde werker, maar ook de zoon van een rijke advocaat. Zijn moeder was de dochter van een rijke bankier. En: hij ging naar Lake Side, een eliteschool in Seattle, waar ‘The Mothers’ Club’ ervoor zorgde dat er (in 1968) een (één) voor die tijd geavanceerde computer op school werd aangekocht. Genieën en natuurtalenten moeten hard werken én hebben de juiste voedingsbodem nodig.

Zo rijgt Gladwell de anecdotes, raadseltjes en snelle biografietjes aan elkaar. Wat dat laatste betreft: lees vooral het stuk over Christopher Langan – IQ van 195, tv-quiz-ster en college drop-out. En vergelijk het met het verhaal over Robert Oppenheimer, wereldvermaard genie, ‘vader’ van de atoombom. En iemand die de gave had om iedereen naar de wereld te doen kijken zoals hij, ook al had hij ooit geprobeerd zijn docent fysica te vergiftigen.

Robert Oppenheimer op de cover van Time (14 juni 1954)

Het slothoofdstuk ‘A Jamaican story’ is autobiografisch en te lang – een from rags to riches-verhaal over zijn eigen familie, dat nog eens drukt op het belang van hard werken en veel oefenen (’10.000 uren oefenen’ is volgens Gladwell een voorwaarde om in gelijk welk vak het meesterschap te bereiken.) Maar hier laat hij wel het diepste in zijn ziel kijken – en die is rood. Door de Amerikaanse mythe van de formule ’genie + hard werk = succes’ te deconstrueren en expliciet te wijzen op de omstandigheden waarin succesverhalen tot stand komen, komt het belang van beleid heel scherp in het vizier. Hij noemt het nog net geen ‘gelijkekansenbeleid’ (dat woord was wellicht te lelijk voor hem, en wie kan hem dat kwalijk nemen), maar daar komt het vaak op neer.

Fundamenteel is Outliers een politiek pamflet — alleen heb je dat amper in de smiezen. De boodschap is: succesvol word je nooit louter op eigen kracht; die kracht is enkel een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde: ”It is impossible for a hockey player, (…) or Robert Oppenheimer, or any other outlier for that matter, to look down from their lofty perch and say with truthfulness, “I did this, all by myself”‘.  Het succes van die ‘outliers’ – mensen die buitengewoon succes kennen - ’is grounded in a web of advantages and inheritances, some deserved, some not, some earned, some just plain lucky – but all critical to making them who they are. The outlier, in the end, is not an outlier at all.’ (Bruno Tobback: hier valt inspiratie te halen.) Het is precies dat engagement – en de altijd stimulerende verhalen over hoe zinvol hard werken wel niet is, ook al mag je daarbij niet te lang over ‘zin’ nadenken – dat dit boek coherent en sterk maakt.

Om af te sluiten nog een raadseltje uit het boek. ‘At Microsoft, famously, job applicants are asked a battery of questions designed to test their smarts, including the classic “Why are manhole covers round?” If you know the answer to that question, you’re smart enough to work at Microsoft’. Het antwoord staat in een voetnoot op pagina 76.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Überflüssig

Ooit ben ik in White teeth begonnen, en toch zeker een pagina of honderd ver geraakt, maar ik vond het niet te harden zo boring. Salman Rushdie in Londen, maar dan tien jaar te laat, zo was mijn weinig onderbouwde maar onwrikbare mening. Zadie Smith bleef, hoewel ze vaak met Dave Eggers gesignaleerd werd, jarenlang een blinde vlek. Ongeveer tot ik haar stuk over D.F. Wallace las, dat is opgenomen in haar essaybundel Changing my mind en dat, nu ja, briljant is.

Zadie Smith, glamorous.

Dezelfde glanzende, tegendraadse, post-academische intelligentie zit ook in haar stukje over de novelle Am I a human redundant being? in de jongste Harper’s. In het Duits klinkt het, zoals wel meer dingen (‘Mobilmachung’!), nog beter: Bin ich ein überflüssiger Mensch? Het is een boek dat postuum is uitgegeven, nadat het jaren verloren werd gewaand, van de Oostenrijkse schrijfster Mela Hartwig, van wie ik nog nooit had gehoord. Hartwig is, zo lees ik, geboren in 1893 in Wenen en heeft een ander boek op haar naam dat bedacht werd met een al even vrolijke titel: Das Weib ist ein Nichts.

Redundant gaat, zo vertelt Smith, over Aloisa Schmidt (tegelijk verteller): ‘self-hater, compulsive masturbator, narcissistic manic-depressive, all-round good-time gal’. Zadie Smith trekt fluks de vergelijking met die andere Oostenrijker, Thomas Bernhard, om meteen het mes in de wonde te draaien: ‘why do male writers channel rage into sadism while their female counterparts collapse into masochism?’. Om dan, na een nieuwe vergelijking (dit keer met Carrie Bradshaw, verteller van Sex and the City) nog een kwartslag aan het mes te geven: ‘it occurred to me that people consistently misunderstand the logic of these feminine narratives, wherein what looks like self-abasement is very often an inverse form of self-display and self-assertion’. Of nog: die vrouwen doen, net als de mannen, waar ze goesting in hebben. Ze schrijven het alleen anders op, met een twist (en vaak meer dan een). Waarom? Smith: ‘Perhaps because there is no clear feminine language for triumph (…) We can’t, as the saying goes, pull it out and slap it on the table’. Maar begrijp dat alsjeblief niet als onzekerheid of, een zwakke wil: ‘We want, and we get. It’s simply a devious sort of wanting. (…) Whether it’s masochism or sadism is less interesting than its overt egotism.’

Geef een reactie

Opgeslagen onder Uncategorized